Kleio onze chi-meid

(Voor de buitenstaanders: Kleio (aka
CLIO) is de muze van de geschiedenis)

Geschiedenis & andere hobbies

Ik heb mijn hele leven al een hekel aan hobby’s (pubervertaling: ik heb haat aan hobby’s). Als ik iets niet met volle overtuiging, hele dagen en tegen betaling kan doen, laat dan maar.  Want h­et punt is dat dingen die erkende hobby’s zijn, niet meer serieus worden genomen. Vraag het maar aan een beroepskunstenaar. Zodra hij over zijn werk vertelt, krijg je dit: “O, schildert u? Wat enig! Een buurvrouwtje van mij schildert ook, zo leuk!” En volgt een verhandeling over het acquarelmatig vastleggen van hortensiae.

Een bezoek aan mijn plaatselijke boekhandel is voor mij daarom nogal pijnlijk. Niet omdat ik lezen mijn hobby zou kunnen noemen – gezien het feit dat er geen echte beroepslezers zijn, gaat mijn bezwaar hier sowieso niet op. Nee de pijn zit hier: mijn plaatselijke boekverkoper gaf zijn schap  met boeken op historisch gebied de titel ‘Geschiedenis en andere hobby’s’! Nou ja! (pubervertaling: WTF??)

Als geschiedenisdocenten zitten we in een wrede spagaat.  Geschiedenis is gewoon té fascinerend, té leuk om serieus genomen te worden.  En dus voer voor hobbyïsten. Het is zoiets als getrouwd zijn met een geweldig mooie vrouw (pubervertaling: een chi-meid). De helft van je vrienden wil er met haar van door. Maar nog erger: de andere helft van je vrienden is nauwelijks te overtuigen dat ze dan wel een leuke buitenkant heeft, maar ook lief en intelligent is.

Iedereen gelooft namelijk in een rechtvaardige wereld, samen te vatten als ‘je kunt niet alles hebben’. Iemand die mooi is, zal wel dom zijn. Een vak dat zo leuk is dat mensen er hun hobby van maken, daar zal je wel niets aan hebben. En zo haken sommige geschiedenisliefhebbers onder de leerlingen af voor een ‘nuttig’ vak als administratie. Want ja, geen hond die van administratie zijn hobby maakt, dus dan zal het wel goed zijn. Maar sorry mensen: de wereld is niet rechtvaardig. Geschiedenis is die mooie vrouw die ook nog eens buitengewoon sympathiek is en zeer intelligent. Dus vooruit, laat de ene helft er met onze chi-meid vandoor gaan. Zo lang we de andere helft maar kunnen overtuigen dat ze veel meer te bieden heeft dan een mooie buitenkant.

(eerder verschenen in tijdschrift Kleio)

Vroeger zal alles beter worden

Ze zijn ongeïnteresseerd en verwend. Afspraken komen ze niet na, ze zijn gemakzuchtig, alleen maar bezig met hun baantje en 24/7 in de weer met hun telefoon. Als ze al eens een PO inleveren is de helft van internet gejat. Een slecht geleerde toets ontwijken ze door pa of ma even te laten bellen: ’ze heeft weer zó veel last van haar hooikoorts… ze kan de toets echt niet maken’. Mopper, mopper. De leerling van nu, is niet meer wat ‘ie ooit was.

Maar vergeet niet dat met jongeren 2500 jaar geleden ook al niks te beginnen was. Hoe vaak wordt niet Socrates aangehaald, die opmerkte dat de ‘jeugd van tegenwoordig’ slechte manieren heeft en haar leraren tiranniseert?

We leren onze leerlingen om hun hedendaagse bril af te zetten, als ze naar het verleden kijken. Een leerling die over middeleeuwers oordeelt als achterlijk of over pruikentijders als viespeuken, wordt terechtgewezen. Je zou dus verwachten dat wij als geschiedenisdocenten bewust zijn van de bril waarmee we kijken naar  leerlingen: de bril van het verleden. Toch hoor ik mezelf en mijn collega’s – zelfs twintigers – wanhopen dat de leerling van vandaag de dag ongemotiveerd en lui is en dat het niveau keldert. Zien we continuïteit, of verandering? Ik neig toch naar dat eerste. Want sloofde ik me nou bovenmatig uit, voor mijn werkstuk in 4 vwo? Mwah… Kon ik een hele les stilzitten in 1981? Beslist niet. Jokte ik als 14-jarige wel eens tegen mijn ouders dat ik ziek was, als ik een repetitie niet had geleerd? Yep.

Pubers van nu zijn net zo (ab)normaal als wijzelf, 5 of 25 jaar geleden. Socrates heeft Prediker als medestander: er is niets nieuws onder de zon. ‘Vroeger zal alles beter worden’, is de favoriete uitdrukking van mijn vriend R.*. Oftewel: toen vonden we het naadje, maar later zullen we terugkijken en zeggen hoe geweldig het was. Het gaat niet slechter met jongeren dan vroeger, net zo min als ouders met de pet naar de opvoeding gooien of het onderwijs achteruit holt. Het is gewoon zoals het is en daar moeten we het maar mee doen.

(column in Kleio, blad voor docenten geschiedenis, nov 2011)

Handhaven met Hitler

Terug van vakantie en tadaa, wat ligt daar op de deurmat? De nieuwe Kleio, nieuwe stijl, nieuwe vormgeving, en nieuwe columnist: moi! Ik post mijn eersteling hier even.

Handhaven met Hitler

Toen ik net voor de klas stond (klinkt als ‘opoe vertelt’ maar is slechts enkele maanden geleden) had ik de overtuiging dat ik 14, 23, 32 pubers met vriendelijkheid en redelijkheid in het gareel zou houden. Mijn vriendelijke redelijkheid zou bij hen automatisch een positieve werkhouding oproepen. En zij zouden nog lang en gelukkig effectief leren en prestaties leveren waarvan eenieder steil achterover zou slaan. Dat alles zonder een kinderachtig en flauw beroep te doen op de regels of ooit een machtwoord te gebruiken. Na een tijdje (plusminus 12 minuten) sloeg de twijfel toe. Redelijkheid bleek minder aanstekelijk dan ik verwachtte. Ongewenst gedrag tierde iedere les weliger. Er moest iets gebeuren. He bah, dacht ik, regels handhaven, politieagentje spelen? Gut, dan wordt het wel erg ongezellig in de klas. D­­aar had ik dit vak toch niet voor gekozen? Consequent optreden,  altijd maar ingrijpen bij ieder klein overtreding leek me meer iets voor machtsfetisjisten met een overontwikkeld gevoel voor hoe het hoort.

Maar – en zo blijkt maar weer dat we dus wel degelijk iets kunnen leren van de geschiedenis – het kwartje viel uiteindelijk bij mij toen ik de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog behandelde. Het verhaal is bekend: na de Eerste Wereldoorlog waren er wat huisregels afgesproken in Europa. Maar in de jaren ’30 had niemand zin om politieagentje te spelen. Want gut, dan zou het wel heel ongezellig worden in Europa. En hoewel door de jaren heen op verschillende manieren over die toegeeflijkheid is gedacht, over een ding is iedereen het eens: als je afspraken niet wilt handhaven, kun je ze net zo goed niet maken.

Mijn appeasementpolitiek kwam resoluut ten einde toen ik me dat realiseerde. Als ik telaatkomen, tassen op tafel of telefoons tegenkom in de klas, denk ik niet meer aan gezelligheid, vriendjes blijven of de gevoeligheid van de leerlingen. Nee, ik denk aan Hitler. Niet om te doen wat hij deed natuurlijk. Wel om te doen wat anderen in de jaren ’30 nalieten: regels handhaven. Soms moet je een kleine oorlog voeren, om een grote te voorkomen.  Ook in de klas.

Promotie in 140 tekens

Als een promovendus erin slaagt een onderwerp te vinden met enige maatschappelijke relevantie (lees: PR-waarde), is de kans groot dat zijn promotie het schopt tot de universitaire persberichten. En heeft zo’n persbericht enige maatschappelijke relevantie (lees: PR-waarde) dan is de kans groot dat zo’n persbericht het schopt tot tweet. En zo wordt dan vier jaar onderzoek, honderden pagina’s aan bevindingen, mitsen, maren, nuances, conclusies, bijlagen en methodische onderbouwing, samengevat in 140 tekens. (Inclusief twee tot vijf hashtags.)

Dat kan niet goed gaan.

Onder #onderwijs krijg ik nu al drie dagen lang, ongeveer elke drie minuten een tweet binnen die zegt ‘promovendus pleit voor mobieltjes in het onderwijs’,  ‘mobieltjes vergroten leeropbrengst’, ‘mobieltjes niet verbannen, maar gebruiken in de klas’ of iets van gelijke strekking. Allerlei ‘believers’ menen nu aan te kunnen tonen dat we ruim baan moeten geven aan mobieltjes in de klas. En iedere drie minuten word ik daardoor iets bozer.

Het is namelijk een samenvatting van het onderzoek die zo kort door de bocht is, dat er niet eens meer sprake is van een bocht. En het is totaal bezijden de ervaring van de meeste docenten. O ja hoor: met veel organisatie, didactisch vernuft, technische handigheid en creativiteit zou je best iets nuttigs kunnen doen met mobieltjes in de klas. Maar negentig procent van de tijd heb je er alleen maar ongelofelijk veel last van en de leerlingen nog veel meer. Multitasking bestaat namelijk niet, je kunt je hoofd maar bij een ding tegelijk houden. Ook dat is onderzocht. (Tenzij generatie Einstein opeens razendsnel is geëvolueerd en een totaal ander brein heeft dan de generaties ervoor.) Oefenen met onverdeelde aandacht wordt steeds zeldzamer met die voortdurend zoemende, trillende en knipperende BB’s en iPhone’s.

Een belangrijke conclusie van promovendus De Jong van de OU waarover dit stukje eigenlijk gaat was ook: de focus moet liggen op de problemen van de lerenden en niet op het per se willen introduceren van de technologie. Dat heb ik in geen enkele tweet terug gelezen. Misschien hebben alle  telefoonoptimisten daar vanwege een gebrek aan onverdeelde aandacht overheen gelezen. Ik ben heel erg *voor* innovatie in het onderwijs, goed gebruik van de hulpmiddelen die er zijn, maar heel erg *tegen* kort-door-de-bocht, ongefundeerde ‘ach joh je moet gewoon…’ oplossingen.  In de huidige nog altijd dominante klassikale situatie  is de mobiel een afleider van jewelste. Wat lees ik daar op Twitter? ‘Ach joh, ze moeten gewoon heel het onderwijs veranderen’. O ja, doen we ff.

Rol-acceptatie

Vandaag hadden we het eerste college pedagogiek. Daar hoorde ik een nieuw woord: rol-acceptatie. Je wilt docent worden, je volgt de opleiding, je staat al voor de klas, maar je gelooft het zelf nog niet écht. Dan zit je dus midden in het proces van rol-acceptatie. En ja: ik zit er middenin.

Soms is de buitenwereld er al verder mee. Zo had ik vrijdag echt een topdag qua rol-acceptatie van buitenaf. Eerst was er ‘s morgens leerling M. die even met me kwam babbelen. M. is een schatje, echt een geweldig kind, maar druk. Kan geen 5 minuten op zijn stoel blijven zitten. Heb ik dus ook nogal eens streng toegesproken. “Komt u hier volgend jaar echt werken?”, vroeg hij. “Ehm nou dat weet ik nog niet”, zei ik. “Hoezo niet, vindt u het hier niet leuk?” “Nou ja, eh, dat wel maar er moet bijvoorbeeld ook een baan zijn he”, zei ik. Waarop M. zei: “O nou, ik hoop het want ik vind u echt een goeie docent.” Ik blij.

‘s Middags ging ik naar Leiden voor m’n zogenaamde go/no-go gesprek. Het werd een go, en naast de nodige opbouwende kritiek kreeg ik ook lof en aanmoediging toegezwaaid. (En studiepunten – hoera!) Ik weer blij.

In de trein naar huis raakte ik aan de praat met een man tegenover me. Hoewel ik nota bene een stukkie zat te tikken voor het ‘gewone’ werk dat ‘gewoon’ doorgaat, vroeg hij aan me: “Bent u docent ofzo?” Misschien kwam het door mijn tas vol paperassen? Ik weet het niet. Maar ook hier werd ik best blij van.

Rol-acceptatie: mooi woord. Hoeft niet allemaal vandaag. Het groeit. Buitenwereld, bedankt!

Bewust onbekwaam

Het zijn duistere tijden. Niet helemaal waar, want ik geniet erg van het leren, maar zwaar is het wel. De eerste weken van de lerarenopleiding waren een soort frischer frölicher Krieg met Blackboard, aan te schaffen boeken, leerdoelen en studentenadministratie. Het waren de tijden dat ik nog vooral onbewust onbekwaam was op het gebied van het docentschap en louter interessante theorieën tot me nam over de roos van Leary, activerende lesontwerpen en historisch besef. Al snel echter doemden de dark ages op. Ik bevind me er nu middenin en het is naar. Van onbewust bekwame, door de wol geverfde freelance schrijver ben ik een bewust onbekwame aankomende docent geworden. De weinige theorie en het geringe gereedschap dat ik heb verzameld, moet ik nog echt in de praktijk leren toepassen. Ondertussen is de hoeveelheid kennis en vaardigheden in het domein ‘leraar’ een ongelofelijke rijstebrijberg. Weg senioriteit, weg routine, weg zelfvertrouwen. Ik voel me als iemand die twee keer met de scheikundedoos heeft mogen spelen, en nu met een paar dikke handboeken en een IKEA-inbussleuteltje, een meltdown in Fukushima moet voorkomen. 

Anyway: vandaag stond ik voor het eerst als docent voor de klas. Het onderwerp: de sociale kwestie. Gevoelstemperatuur: frisse voorjaarsdag. En bewust onbekwaam is zo een niet-leuk stadium, dat ik zeer gemotiveerd ben snel op het volgende niveau te komen, met zoveel mogelijk vaardigheden. Werk in uitvoering!

Les 1: niet stinken

Daar zaten we dan, met een m/v of zestig in een daglichtloze collegezaal te Leiden. De stemming kwam er al snel in toen ‘de klanten’ werden opgevoerd in de vorm van een leerlingenpanel van drie. Pubers in het wild, die ondervraagd werden over de ins en outs van het scholierenbestaan en de do’s en dont’s van de leraar. ‘Ehm, ja ik weet niet of het al gezegd is, maar een leraar moet dus niet stinken’. Check.

Daarna kennismaking met de begeleidingsgroep - mooi, leuk, gemeleerd gezelschap - en de eerste inhoudelijke lessen over leren, doceren en didactiek. Waarbij ook psychologische puzzelstukjes als Rogers, Piaget, Skinner, Vygotski en Darwin op hun plek vielen: m’n studie van de afgelopen maanden is niet zinloos geweest, hoera. Het was een dag met een stijle steile leercurve. Ben hongerig naar meer en op zoek naar een baan, binnenkort :-)

It giet oan – brrr

Morgen is het zover. Onder een ver uit de vorige eeuw stammend studentnummer sta ik weer officieel geregistreerd aan de universiteit Leiden. Om 9.00 uur neem ik plaats in de schoolbanken voor de introductie, ‘s middags staat de eerste serieuze kost (vakdidactiek) op het programma.*

Ik heb er geweldig veel zin in en tegelijkertijd zweet ik peentjes. Het is een grote stap, van solitaire schrijver naar docent-in-opleiding. Nu blijft een deel van mij gelukkig solitaire schrijver, dat scheelt. Maar het andere deel wil niet meer alleen observeren en schrijven over, maar ook méédoen aan het onderwijs. Mijn handen jeuken, en dat doen ze al een tijdje. Maar er kwam steeds iets tussen.

Ondertussen neem ik bij mezelf de emoties waar die ik de afgelopen jaren bij m’n eigen kinderen zag, voor de eerste schooldag, de eerste dag in de brugklas et cetera: kan ik het wel? Waar moet ik dan precies zijn? Heb ik de goeie spullen bij me? Ik stond natuurlijk altijd heel luchtig te wuiven ‘joh dat gaat allemaal best lukken’, ‘komt goed’. Maar verrek: het is écht eng. Sorry kinderen :-) Of het echt meeviel, lees je binnenkort hier.

*Voor wie ‘t gemist had: per 31/1/2011 studeer ik in deeltijd aan het ICLON in Leiden voor eerstegraads docent geschiedenis. Een nieuwe activiteit van EdithSchrijft International BV, maar vreest niet: de oude activiteiten gaan ondertussen gewoon door!

Nog even over twitter

Opvallend veel mensen reageerden (in de echte wereld, dwz als ik ze tegen het lijf liep of aan de telefoon had) op mijn Twitterstukje, hieronder op deze blog. Voornamelijk positief en instemmend in de trant van: helemaal mee eens, ik vind het ook niks, exhibitionistisch gedoe, bah.

Tijd om uit de kast te komen dus want ondertussen ben ik om. Nog steeds ben ik meer een volger dan een tweeter. Maar dat geeft dus niks. En nog steeds erger ik me aan o-wat-ben-ik-succesvol-tweets. Geeft ook niks. Moet je doorheen kijken, weet ik nu. Opeens viel het kwartje: Twitter werd leuk, netwerk groeide gestaag, bracht glim- en schaterlachen, interessante info en zelfs klussen. De impact van dit sociale medium op het leren kennen van mensen en elkaar helpen de weg te vinden in de informatiebrij is groot. Heb ik eindelijk ontdekt. Dusss… geen kwaad woord meer over twitter. Twitter doesn’t brag – people do :-)

Zalige onzekerheid

Drie zomermaanden lang leidde ik het geregelde bestaan van gemeenteambtenaar. Niks niet saai niet, want het was de leukste ambtenarenbaan binnen de gemeente Rotterdam, namelijk die van redacteur bij de wekelijkse ‘newsy’ personeelskrant, de Stadswerker. Veel geleerd, veel lol gehad.

En nu dus weer op eigen benen. De week voelt als een veel te grote jas nu er drie vast ingevulde werkdagen weer helemaal open zijn. Ik mis de gezelligheid van de collega’s, de structuur en – toegegeven – de vaste inkomsten.

Maar dan de vrijheid. Ieder plan dat ik heb kan ik uit gaan voeren. Wil ik een op het oog irrelevante cursus gaan volgen? Geen punt. Om een uur te verlummelen heb ik niemands toestemming nodig. Het kan alle kanten op en al heb ik een duidelijke strategie voor ogen: ik weet echt niet waar ik over een maand, een half jaar, twee jaar mee bezig ben. Die onzekerheid is soms een last maar meestal een lust – wat mij betreft. Ik ♥ freelancen.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.